Publicaties

31-12-2009

» Ondernemingsrecht, de concernenquete nader belicht.


Mr. Albert Oomen, december 2009, De Ondernemer

Algemeen

Als belanghebbende bij een vennootschap kan men het wel eens niet eens zijn met het gevoerde beleid en de gang van zaken in een vennootschap. Wat kan men hier als belanghebbende nu eigenlijk aan doen? Een belangrijk juridisch instrument is in dergelijke gevallen het enquêterecht. Het enquêterecht biedt bepaalde belanghebbenden bij een vennootschap de mogelijkheid om de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam te verzoeken het beleid en de gang van zaken van de vennootschap aan een enquête (lees: onderzoek) te onderwerpen. Indien uit het verslag van de door de Ondernemingskamer aangewezen deskundigen vervolgens blijkt dat er sprake is van wanbeleid, kan de Ondernemingskamer voorziening en maatregelen treffen bij de onderzochte vennootschap.

Ingevolge de wet zijn gerechtigd een enquêteverzoek in te dienen:

  1. Aandeelhouders en certificaathouders die alleen of gezamenlijk minimaal 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. 
  2. Werknemersorganisaties. 
  3. De Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam. 
  4. Statutair en contractueel bevoegden.

Concernenquête

Bij het opstellen van de wettelijke regeling van het enquêterecht heeft de wetgever nauwelijks rekening gehouden met concernverhoudingen. In een concern (holding met dochtervennootschappen) wordt het beleid van een vennootschap vaak beïnvloed of zelfs in grote mate bepaald door andere tot het concern behorende vennootschappen (concerngenoten). Gevolg van de wettelijke regeling van het enquêterecht is dat belanghebbenden bij een vennootschap geen enquête kunnen verzoeken naar het beleid en de gang van zaken van overige (beleidsbepalende) concerngenoten. Hierdoor kan de Ondernemingskamer ook geen voorzieningen en maatregelen treffen bij die (beleidsbepalende) concerngenoten. In de rechtspraak zijn de afgelopen jaren toch een aantal openingen gecreëerd om een enquête binnen een concern mogelijk te maken. Zowel voor indirecte aandeelhouders als vakorganisaties en OR zijn er mogelijkheden ontstaan:

Aandeelhouders moedervennootschap

Aandeelhouders van de moedervennootschap zijn volgens de wet slechts bevoegd een enquêteverzoek te doen jegens de moedervennootschap waarin zij die aandelen houden. Uit de Landis beschikking (HR 9 december 2005, NJ 2006, 174) blijkt dat onder bepaalde voorwaarden aandeelhouders van een moedervennootschap toch bevoegd zijn tot het uitlokken van een enquête naar het beleid en de gang van zaken bij de dochtervennootschap. Een concernenquête naar het beleid van de dochtervennootschap is slechts geoorloofd indien er sprake is van een (100%) Nederlandse dochtervennootschap. Vervolgens stelt de Hoge Raad dat gezien de strekking van het enquêterecht de geoorloofdheid van een concernenquête afhangt van een tweetal criteria. Ten eerste is van belang in welke mate tussen de te onderzoeken concerngenoten een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding bestaat. Ten tweede dient er een vrijwel volledige personele unie tussen de moedervennootschap en de dochtervennootschap aanwezig te zijn.

Vakorganisaties

Op grond van de wet zijn vakorganisaties slechts bevoegd een enquête uit te lokken naar het beleid en de gang van zaken bij een (dochter)vennootschap indien zij in de (dochter)vennootschap werknemers hebben die lid zijn van deze vakorganisaties. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat vakorganisaties ook bevoegd zijn om een enquête uit te lokken bij de moedervennootschap van de vennootschap in wiens onderneming werknemers werken die lid zijn van de vakorganisatie. Zowel de wetgever als de Ondernemingskamer benadrukken dat vakorganisaties slechts enquêtebevoegdheid jegens de moedervennootschap hebben indien er een nauwe verwevenheid tussen moedervennootschap en dochtervennootschap bestaat.

Ondernemingsraad

De wetgever heeft het enquêterecht slechts toegekend aan vakorganisaties en niet aan de OR. De wet bepaalt overigens wel dat de vakorganisatie, alvorens een enquête uit te lokken, de OR in de gelegenheid dient te stellen schriftelijk van zijn gevoelen te doen blijken. De rechtsgeleerde schrijvers zijn zeer verdeeld over de vraag of de OR enquêtebevoegd zou moeten zijn. In de beschikking Smit Transformatoren BV (OK 5 oktober 2005, JOR 2005, 296) heeft de Ondernemingskamer bepaald dat de vennootschap op grond van de statuten of bij overeenkomst met de OR kan bepalen dat de OR enquêtebevoegdheid toekomt jegens de dochtervennootschap en de moedervennootschap. Vanwege het feit dat de enquêtebevoegdheid van de OR gefundeerd is op de statuten en/of op een overeenkomst lijkt het niet noodzakelijk om een wettelijke basis te creëren.

Conclusie

De Ondernemingskamer en de Hoge Raad hebben de regeling van het enquêterecht uitgebreid. Zo is het voor aandeelhouders van de moedervennootschap (holding) onder bepaalde omstandigheden mogelijk het beleid bij de dochtervennootschap (werkmaatschappij) tegen het licht te houden. Daarnaast zijn ook vakorganisaties en de OR (meer) bevoegdheden toegekend op het gebied van het enquêterecht. Dit is o.a. van belang omdat de Ondernemingskamer bijvoorbeeld bestuurders weg kan sturen en nieuwe bestuurders kan benoemen. Alhoewel binnen kleine concerns weinig of geen gebruik wordt gemaakt van het enquêterecht biedt dat wel degelijk een aantal mogelijkheden.

» Terug naar overzicht
MENSELIJKE AANPAK
MEESTERLIJKE OPLOSSINGEN